Welkom op de website van de
Dienst Ieper - Veurne voor Alternatieve Maatregelen

Homepagina - VOT
test

Ons Tehuis

Den Akker

Harmonie

DIVAM

JEZ11

Begeleidings-
tehuis

Dagcentrum

Thuisbegelei-
dingsdienst

Alternatieve
Maatregelen

Residentiële voorziening
cat. 1bis

test
Praktische info

Historiek

Organigram

Jaarverslag

Doelgroep

Gemeenschapsdienst

Sociale Vaardigheidstraining

Herstelbemiddeling

Herstelgericht groepsoverleg

Ouderstage

Contact

Interessante links

test
Sociale vaardigheidstraining

  1. Definitie
  2. Ontstaansgeschiedenis
  3. Wettelijk kader
  4. Doorverwijzingsprocedure
  5. Verloop

1. Definitie
Een sociale vaardigheidstraining is een leerproject met als doelstelling het eigen probleeminzicht bij de jongere te verhogen en/of een aantal sociale vaardigheden aan te leren of bij te sturen. Een sociale vaardigheidstraining valt te situeren onder de overkoepelende term “leerproject”. Het is bijgevolg een ambulante maatregel.

Een dergelijke maatregel is (ortho)pedagogisch van aard en gericht op een verhoging van het eigen inzicht en het gericht verhogen van de sociale competentie van de jongere. Het doel is hier om verdere escalatie van de problematiek en/of recidive te voorkomen.

Een centraal element in de sociale vaardigheidstraining is het concept "empowerment". Via dit concept sluiten we aan (en versterken we) de (potentiële) krachten in de jongere en zijn omgeving. De nadruk ligt dus met andere woorden op een positieve benadering en een ervaringsgerichte aanpak.

Een sociale vaardigheidstraining houdt in dat een jongere die een als misdrijf omschreven feit gepleegd heeft en die minimum 12 jaar is, een training van 20 uren volgt. In deze training worden vaardigheden aangeleerd, zodat de jongere in de toekomst op een andere manier kan reageren in moeilijke situaties. Welke vaardigheden getraind worden, is afhankelijk van jongere tot jongere. Thema’s die aan bod kunnen komen zijn o.a. leren omgaan met gezag, op een constructieve manier kritiek geven en krijgen, leren omgaan met agressie, zelfbeeld en zelfvertrouwen, …

De sessies worden gegeven tijdens de vrije tijd van de jongere en dit in wekelijkse sessies van anderhalf uur. Het werken in de vrije tijd van de jongere is erg belangrijk, omdat zo vermeden wordt dat het schoolgebeuren problemen ondervindt. Wanneer jongeren al kampen met een schoolproblematiek, kan een sociale vaardigheidstraining niet gebruikt worden als excuus om de school te verlaten.
De sessies worden hoofdzakelijk individueel gegeven, waardoor we sterk op maat van iedere jongere kunnen gaan werken.

2. Ontstaansgeschiedenis
De ontstaansgeschiedenis van leerprojecten vinden we terug in het buitenland, namelijk in de community-based sanctions van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Vooral de Intermediate Treatment projecten ingeschreven in de Children and Young Persons Act van 1969, vormden een belangrijke inspiratiebron voor de ontwikkeling van leerprojecten in Nederland begin de jaren '80. Veel van de momenteel aanwezige expertise in Vlaanderen is afkomstig uit Nederland, zoals de projecten 'Slachtoffer in Beeld' en 'sociale vaardigheidstrainingen'.

Het organiseren en begeleiden van leerprojecten is sinds 1994 via het Globaal Plan in een stroomversnelling geraakt. Het Globaal Plan maakt deel uit van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, aangevuld door de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. Vier alternatieve gerechtelijke maatregelen worden hierbij gepromoot waarvan drie in het kader van het volwassen strafrecht en een voor minderjarigen, namelijk de diversiemaatregelen (alternatieve maatregelen ter vervanging van een beslissing door de jeugdrechter).

Dankzij het Globaal Plan kunnen gemeenten een spilfunctie vervullen in de organisatie en begeleiding van alternatieve sancties. Dit leidde dan ook tot het indienen van projecten door organisaties van heel uiteenlopende pluimage. Met de oproep tot het opstarten van projecten alternatieve of herstelgerichte afhandelingsvormen vanuit de Afdeling Bijzondere Jeugdzorg van de Vlaamse Gemeenschap in 1999, is deze expansie wat geluwd.

3. Wettelijk kader
De sociale vaardigheidstraining vindt zijn wettelijk kader in de hervormde wet op de jeugdbescherming, namelijk: ‘Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade’ (mei-juni 2006).

Specifiek bepaalt artikel 37§2 bis 5° van de nieuwe jeugdwet ‘deelname aan een opleidingsmodule of module ter bewustwording van de gevolgen van de gestelde handelingen, alsook de invloed daarvan op de eventuele slachtoffers als voorwaarde tot het behoud van de jongere in zijn/haar leefmilieu.’

4. Doorverwijzingsprocedure
Hoe komt een minderjarige, die een misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, terecht bij DIVAM?

Een minderjarige pleegt een feit waarvan via de bevoegde politiedienst een proces-verbaal wordt opgemaakt, dat samen met het dossier van de minderjarige terecht komt bij de bevoegde Parketmagistraat. Deze heeft dan drie mogelijkheden: seponeren (als men van oordeel is dat de feiten te licht zijn, en een gerechtelijke tussenkomt meer kwaad dan goed zou doen), een herstelbemiddeling doen of de Jeugdrechter vorderen.

Als de Jeugdrechter wordt gevorderd, zal deze de Sociale Dienst van de Vlaamse Gemeenschap bij de Jeugdrechtbank inschakelen. De bedoeling is dat er een consulent van de Sociale Dienst een basismaatschappelijk onderzoek voert. Dit is een onderzoek naar de achtergrond van de minderjarige (thuissituatie, school, ...). In dit basismaatschappelijk onderzoek doet de consulent aan de Jeugdrechter reeds een voorstel van maatregel. Dit voorstel kan een plaatsing, ondertoezichtstelling, ... , maar ook een constructieve afhandeling zijn. Eens dit maatschappelijk onderzoek afgerond is, wordt het opgestuurd naar de Jeugdrechter en de Parketmagistraat.

De zaak van de jongere wordt op zitting geplaatst, waarbij de Jeugdrechter een maatregel uitspreekt. Dit kan het advies zijn dat de consulent heeft geformuleerd in het basismaatschappelijk onderzoek, maar een Jeugdrechter kan hier eventueel ook van afwijken.

Als de Jeugdrechter van oordeel is dat een constructieve afhandeling gepast en praktisch haalbaar is, wordt er bij vonnis een constructieve afhandeling opgelegd (vb. sociale vaardigheidstraining). Een afschrift van het vonnis wordt naar DIVAM opgezonden.

5. Verloop
Vanaf het moment dat DIVAM een vonnis ontvangt van de Jeugdrechtbank waarin een sociale vaardigheidstraining is uitgesproken, wordt er via brief een afspraak gemaakt met de minderjarige en zijn ouders of wettelijk verantwoordelijken voor een kennismakingsgesprek.

Op dit kennismakingsgesprek worden twee zaken besproken. Ten eerste wordt er uitleg over de inhoud van een sociale vaardigheidstraining gegeven. Ten tweede worden er concrete uren en data afgesproken waarop de training zal doorgaan. Deze data en uren worden in een overeenkomst gegoten, die ondertekend wordt door de jongere, de ouders en de projectmedewerker van DIVAM. Tevens worden er a.d.h.v. de intakefiche relevante gegevens over de jongere verzameld.

De sociale vaardigheidstraining zelf splitst zich uit in aantal fasen:

  1. informatiefase
  2. analysefase
  3. trainingsfase
  4. evaluatiefase

Informatiefase
Om te weten welke vaardigheden er bij de jongere goed of minder goed aanwezig zijn, dient de begeleider eerst informatie over de jongere te verzamelen. Het verzamelen van informatie over de jongere gebeurt met de volgende technieken:

  • Weekkaart:
    Samen met de jongere wordt een week overlopen, waarbij er een chronologische schets wordt gemaakt van het dagelijks leven van de jongere. Via de weekkaart wordt er systematisch informatie verzamelt over het gedrag van de jongere in verschillende sociale situaties (school, thuis, sportvereniging,...), maar ook over de sociale vaardigheden van de jongere.
  • Levenslijn:
    Via de levenslijn wordt het toekomstbeeld van de jongere nagegaan, nl. welk toekomstbeeld en mogelijke plannen heeft de jongere voor de toekomst? De trainer tekent op een bord een lijn en geeft van links naar rechts een aantal jaartallen aan (vb. 0, huidige leeftijd, 50 en 80 jaar). De trainer vult vervolgens deze lijn van achter naar voor in, door aan de cliënt te vragen hoe hij/zij denkt dat zijn leven er op deze leeftijd uit zal zien. Zo van achter naar voor werkend worden verre toekomstplannen omgezet in wensen voor de meer nabije toekomst.
  • Delictbespreking:
    Een sociale vaardigheidstraining wordt altijd opgelegd n.a.v. een misdrijf omschreven feit, gepleegd door de jongere. Daarom is het delict een belangrijke topic in de fase van de informatieverzameling. Tijdens deze bespreking wordt a.h.w. een 'draaiboek' opgesteld van het delict/de delicten. Van minuut tot minuut wordt er besproken wat er gebeurd is, waarbij er grote aandacht gaat naar de situatie waarin de jongere was (locatie, met wie,...), de reactie en de gevolgen voor de verschillende partijen.
  • Genogram:
    Het genogram is eigenlijk de orthopedagogische uitwerking van een stamboom. Hierbij komen familiale relaties naar voor, waardoor ook contextuele factoren, zowel positief als negatief, kunnen verzameld worden.
  • Kaartjes "lastig - niet lastig":
    Bij jongeren waarbij het moeilijk valt om vaardigheden vast te stellen, wordt er gewerkt met een aantal kernwoorden, waarbij de jongere zelf aangeeft in welke mate hij het er moeilijk of gemakkelijk mee heeft.

Analysefase
Eens de fase van de informatieverzameling is afgelopen, dient deze informatie geanalyseerd te worden in termen van taken en vaardigheden. Een taak is te zien als een opgave waarvoor een persoon komt te staan in zijn alledaags contact met de samenleving (bv. een ruzie met iemand oplossen). Een vaardigheid is specifiek gedrag die je in staat moet stellen om een bepaalde taak tot een goed einde te brengen (vb. praten om een ruzie op te lossen). Als er bij de jongere een onevenwicht wordt vastgesteld tussen de taken en de vaardigheden (vb. een jongere lost een ruzie steeds op met vechten) kan dit een werkpunt vormen tijdens de training (vb. jongere technieken aanleren om ruzie's op te lossen zonder te vechten). De analyse van de taken en vaardigheden van de jongere wordt in een trainingsplan gegoten, die de basis vormt voor het verdere verloop van de training.

Trainingsfase
In deze fase worden de vaardigheidstekorten, zoals ze omschreven staan in het trainingsplan, getraind. Via onder andere gedragsoefeningen, cameratraining, videofragmenten, specifiek ontwikkeld materiaal, … worden de nodige vaardigheden aan de jongere aangeleerd.

Evaluatiefase
Na de laatste sessie wordt een afspraak gemaakt met de jongere en zijn ouders waarin het verloop van de maatregel besproken wordt. Zowel de jongere als zijn ouders delen hun bevindingen mee, die vervolgens in een eindverslag gegoten worden.
Dit eindverslag wordt naar de jeugdrechter opgestuurd.